Falun Ellie Koos
Tilt
Falun Ellie Koos is schrijver en filmmaker. Hun debuutroman Rouwdouwers (2024) haalde de shortlist van de Libris Literatuur Prijs, de Bronzen Uil, de Hebban Debuutprijs en De Inktaap en werd genomineerd voor de Boekenbon Literatuurprijs. Ook werd de roman door Het Parool verkozen tot één van de tien beste boeken van het jaar. Koos won in 2022 de Joost Zwagerman essayprijs met het essay Bruiklener en ontving in 2023 een C.C.S. Cronestipendium voor beloftevolle auteurs van de gemeente Utrecht. Hun kortfilm De vloer is lava (2020) werd genomineerd voor Rialto for Short.
Ik zweep de zee op, ik duw tegen haar golven aan alsof ik telkens ‘ja’ zeg. ‘ja, ja, ja’ en zij laat zich graag enthousiasmeren. Ze gooit zich woest, schuimbekkend op de stranden van Lesbos, de kleine zoute rots waar wij samen heer en meester zijn. Zij knabbelt aan de randen, maar mijn reikwijdte kent geen grenzen. Ik neem haar zout mee door de straten, erodeer de houten funderingen van de huizen.
Onze liefdestaal is de slijtage, het blijven liefkozen van wat we hebben aangetast. Ik bespeel als een dirigent al wat op dit eiland staat. Ik waai door de kieren en ruik de vloeren waar ontelbaar op is gemorst en gedanst, dat is hun liefdestaal. Ik ruik het overrijpe fruit wat van hun karren rolt, en beurs slaat op de stenen. Ze zuigen me naar binnen en proesten me weer uit om te schreeuwen, over dat fruit. Ze zweten het zout uit, het zout wat ze aan haar verbindt. Ook zij kunnen onstuimig zijn, ook zij gooien zichzelf weleens de pletter, in haar, ze geeft ze altijd terug, al moet ze soms even afscheid nemen. Hun tijd is altijd kort, in vergelijking met ons eindeloze razen. We kunnen ons niet hechten aan deze krioelende ééndags wezens.
Maar ook voor ons is er een nu, een hier, een dit moment. Ik kan vertragen, naar het ritmisch in en uit van adem, van een wezen op de kade. Heel soms doet iets mij verstommen. Laat ik mij roeren door zo’n tijdelijk wezen, je beroerd me, Dimiti. Ik streel rustig langs je dunne witte haren, Dimitri. Je kruin is bloot en door de zon getroffen, vlekken rimpels, schilfers. Ik ga eroverheen als een aai over de bol. Dimitri, een parelketting om je nek, opgewarmd door huid. Ik beroer het rode geschitter van de pailletten op je jurk. Je ruikt vertrouwd, ik heb je een ogenblik geleden nog gekend. een perzik zacht huidje toen, Dimitri, met je smetteloze voetjes in het zand. Ik waaide door je kleine teentjes, door je vingers die je voor me spreidde, onbezonnen. Je was lang weg. Je huid nu droog, getekend, geleefd. Je tenen samen in hakken. Je staat op de pier als een huis, Dimitri. Met al mijn kracht zou ik je niet omver kunnen blazen. Toch zal je over een ogenblik weer verdwenen zijn. Je staat me zachtjes toe om je kippenvel te geven. Ik streel de dingen die trager zullen slijten dan jij, je twinkelende jurk, je parelketting, de hakken waarin je staat. Ik moet denken aan een ander slijtgevoelig wezen, van lang geleden, een wezen net als jij geboren op deze rots. Haar naam was Sappho, zoals de jouwe Dimitri. Al betekenen zulke dingen voor mij niets. Ze creëerde dingen die niet sleten, woorden, die nog steeds gefluisterd kunnen worden in mijn wind:
THE SLEEP WIND
Softer than mists over the pale green of waters,
Over the charmed sea, shod with sandals of shadow
Comes the warm sleep wind of Argolis, floating
Garlands of fragrance;
Comes the sweet wind by the still hours attended,
Touching tired lids on the shores dim with distance,
Ever its way toward the headland of Lesbos,
Toward Mitylene.
Faintly one fair star of evening enkindles
On the dusk afar its lone fire Eothen,
Shining serene till the darkness will deepen
Others to splendor;
Bringing ineffable peace, and the gladsome
Return with the night of all things that morning
Ruthlessly parted, the child to its mother,
Lover to lover.
Thou alone, Sappho, art sole with the silence,
Sole with night and dreams that are darkness, weaving
Thoughts that are sighs from the heart and their meaning
Vague as the shadow;
When the great silence shall come to thee, sad one,
Men that forget shall remember thy music,
Murmur thy name that shall steal on their passion
Soft as the sleep wind.
Ik denk aan haar woorden terwijl ik door je gesloten wimpers streel, Dimitri. Misschien herken ik iets van haar in jou. Een geur, iets in de manier waarop je hier staat op de kade. Iets wat me zacht maakt, sentimenteel. Tegen beter weten in.