Trijntje van de Wouw
Tilt
Trijntje van de Wouw (die/hun) is als dichter en socioloog gefascineerd door alles wat niet eenvoudig gezegd kan worden. Hen schrijft prozaïsche poëzie die op rauwe en intieme wijze existentiële thema’s bevraagt. In hun werk verkent Trijntje de grenzen van mens-zijn en probeert hen via kritische zelfreflectie grip te krijgen op het leven. Momenteel werkt hen aan hun bundel Aangeschoten wild, die eind dit jaar uitkomt.
Astronautenfout
Vroeger kon je alles worden wat je maar wilde. Het reikte zo ver als je verbeelding. Er waren nog geen rare blikken, geen wettelijke restricties of volwassenen die je uitlachten. De een wilde uitvinder worden, de ander de nieuwe Steve Irwin, en jij — jij wilde astronaut worden. Dat is wat je tegen de juf zei toen ze vroeg wat je later wilde worden.
Er is je de maan, Mars en de sterren beloofd. Er is je beloofd dat je zo dichtbij zou komen dat je de plooien in hun huid zou zien. Er zou een tijd komen waarin al je kinderdromen zouden uitkomen en jij de koning van het feest zou zijn, zolang je maar hard genoeg werkte. En later werd daaraan toegevoegd: zolang je maar in de pas loopt.
Je bent daar nu wel van teruggekomen, eigenlijk al vanaf het moment dat de jongens en de meisjes elkaar gingen plagen en je jezelf niet terugvond in de boeken. Nou ja, je wilde best de ridder zijn, maar zo scheen dat niet te werken. Vanaf dat punt raakte je steeds verder verwijderd van de aarde, maar kwam je nooit dichter bij het zijn van een astronaut in de ruimte.
Je besefte dat jij niet de held ging zijn die de lucht in werd geschoten. De held is hetero, rationeel, dapper en een nationaal symbool. Het instrument voor vooruitgang — de held wordt gelanceerd, terwijl degene die afwijkt op de grond gehouden wordt. De eerste man stond al op de maan, terwijl homoseksualiteit nog als geestesziekte werd beschouwd. Ze konden zuurstof creëren in een vacuüm, maar niet hun eigen bevolking laten leven. Ze stuurden honden, apen, schildpadden, muizen, fruitvliegjes, kikkers, bijen en vissen de ruimte in, maar tot een openlijk queer persoon is het nooit gekomen. De norm kan de ruimte bestormen. Een plek zo groot en nog ben je niet welkom.
Ik wil dat je weet dat het niet aan jou ligt. Je had nooit een kans. Ik heb je astronautenpak zien liggen op je kamer. Ik weet dat je in dat pak leeft. Mensen hebben je er verdwaald in zien staan op een industrieterrein, in het bos, op kantoor en in de supermarkt. Altijd de ruimte aan het scannen. Je ziet je schouders erdoorheen hangen. Je mag hem van mij best aanhouden hoor; ik weet dat je er vrij door kan ademen. De aarde heeft je opgeslokt met haar normen en waarden, maar ik gun je zoveel meer.
Als het anders was gelopen dan zouden ze je eren om je buitstaanderschap, om je manier van zweven in een ruimte die nooit voor jou gebouwd was, om je overlevingsdrang in een wereld zonder zuurstof, om je moed om gewichtloos te bestaan. Misschien laten ze je wel toe vierhonderd biljoen lichtjaren verderop, al zullen we dat nooit weten.
Maar wist je dat sterren vooral schitteren omdat ze verschillen van het donker? Dat een komeet een spoor van licht achterlaat als ze van haar baan afwijkt? Dat een supernova pas zichtbaar wordt wanneer ze verandert en ontploft?
En dat al die astronauten ook maar op zoek zijn naar een aarde die afwijkt van de onze, altijd maar op zoek naar waar we vandaan komen? En wist je dat elke cel in jouw lichaam atomen bevat die ooit in een ster zijn ontstaan?
Ga dansen om je as, zoals de planeten dat doen. Laat je pak maar thuis, liefste — je bént je eigen heelal. Je hoeft jezelf alleen maar te laten zien aan die sukkels. Lach ze maar uit; ze zoeken zo hard naar buitenaardse wezens dat ze niet zien hoeveel er nog te ontdekken valt recht voor hun neus.