Fatima Joumaa

From My Mother’s Novel

Fatima Joumaa From My Mother’s Novel

We nemen foto’s, wetende dat we slechts flarden van tijd kunnen vastleggen, korte momenten die geleefd worden en daarna voor altijd verdwijnen. 

Ik vertel een verhaal uit Zuid-Libanon — een verhaal dat ver teruggaat, en dat de afgelopen jaren dramatisch is verslechterd. Mijn verhaal begint wanneer de mensen van het Zuiden weigeren toeschouwers te blijven. Toen Gaza werd aangevallen, stond het Zuiden op in solidariteit, en een tweede front opende zich langs de grens. Alles wat volgde, vloeide voort uit die solidariteit. Want wat betekent het om steun te betuigen aan Gaza? Is het genoeg om toeschouwer te blijven, terwijl je een genocide ziet gebeuren? 

Wat volgde was oorlog, en die duurt nog altijd voort. Het zuidelijke front hield stand uit solidariteit met Gaza, totdat het escaleerde in een totale oorlog. Elke dag aanvallen, bombardementen, mensen die moeten vluchten, en Israëlische militaire bezetting. Mannen, vrouwen en kinderen komen om. Toch blijven mensen, zelfs te midden van de verwoesting, terugkeren naar hun dorpen. Ze brengen hun doden terug naar het land waaruit zij voortkwamen. 

Ik volg de martelaren – de shuhada – terwijl zij worden teruggedragen naar hun dorp, en op die manier keer ik samen met hen terug. Het woord martelaar betekent in het Arabisch getuige: iemand wiens dood getuigenis wordt, wiens leven als een waarheid die niet in woorden te bevatten is, naar huis wordt gedragen. Samen zoeken wij naar wat er rest. Dit is de waarheid die ik blijf zoeken: de begrafenis, de laatste terugkeer van het lichaam naar zijn land. Dat is niet alleen een moment van rouw, maar ook een moment waarop de mensen uit het zuiden samenkomen, en betekenis geven aan wat niet meer is. 

Na het vastleggen van deze begrafenissen ga ik naar huis, waar ik me onderdompel in de dagboekfragmenten van mijn moeder Layla. Haar woorden weerspiegelen het verdriet van Zuid-Libanon. Via haar tekst en mijn foto’s verbindt From My Mother’s Novel persoonlijke en collectieve herinneringen.” 

– Fatima Joumaa